January 2012
M T W T F S S
« Dec    
 1
2345678
9101112131415
16171819202122
23242526272829
3031  

Twiet

  • Passeerden vanmorgen de revue: Sardinië, Kanban, koeien voor de kar gespannen, Scapa Flow, Telenet modems en geborduurde kinderhanddoekjes.
    15/01/2012 12:07
  • Luc Van Acker in De Laatste Show: muzikaal gehoor is gevormd door de radio die tussen twee posten in staat. Een soortgenoot !
    03/01/2012 07:06
  • Fun op het spoor. Rijden achterwaarts terug van waar we komen. Defecte trein. Mooi begin 2012.
    02/01/2012 17:43
  • Nieuwste trend in de Brugse oudjaarnacht:Thaise lantaarns die in het zwerk voorbij zweven. Kwamen vanaf 't Zand over de Kruispoort gevlogen.
    01/01/2012 11:08
  • Worstel met Charles Fryatt. Zoek de juiste toon, gepaste sfeer. Maar struikel en twijfel.
    30/12/2011 11:19
  • Donkere dagen. Voor je het weet is ie weer voorbij. Apocalyptische hemel in Oostende. Van heerlijk blauw naar dreigend in een half uur.
    18/12/2011 17:54
  • Terug uit Wilhemshaven, missschien het lelijkste dat Duitsland kan voortbrengen, de Ruhr niet meegerekend.
    08/12/2011 20:36
  • Aan de gluhwein in Kiel onder hagel- en regenbuien en ontdekt dat we een regering hebben.
    06/12/2011 20:15
  • In een ijzige wind, sneeuwregen en een bevroren bakkes naar Laboe, naar het monument voor dode Duitse matrozen.
    05/12/2011 20:19
  • Midden in de nacht op voor een lange autotocht naar Lübeck.
    04/12/2011 04:20
  • Het sterke signaal van de vakbonden in de De Morgen ...op pagina 4.
    03/12/2011 09:57
  • Het varken van Madonna. Of hoe het einde een goed scenario vakkundig de nek omdraait.
    27/11/2011 19:59
  • Elke ochtend als eerste op mijn netbook: rond de wereld aan 20 knopen. Check
    http://t.co/SsEMgyPc
    26/11/2011 11:37
  • There is nothing so stupid as an educated man, if you get him of the thing that he was educated in. Will Rogers-Best practices are stupid
    23/11/2011 20:34
  • Gelezen, 82 jaar na uitgave: "Van het westelijk front geen nieuws" van Erich Marie Remarque. Van Langemark to Bikschote in WOI,in het Duits.
    22/11/2011 21:25
  • Die ochtend bij de bakker. Ik: graag een klein wit broodje.Zij: een blokje of een rondje? Ik: een blondje. No kidding. Nog niet goed wakker.
    14/11/2011 08:46
  • Volgens was ik de 2.983.981.641-ste mens toen ik werd geboren. 76.587.221.183 waren me voorgegaan. Een groot kerkhof.
    http://t.co/gcAFOGwA
    13/11/2011 10:30
  • Recept om de beurzen in het groen te houden: eed afleggen met een hand op een gouden bijbel, voor een man met een lange baard
    11/11/2011 20:29
  • Zit te kijken naar een kameleon die eieren probeert te leggen, en ik denk; die heeft geen last van cynisme van Jos Digneffe.
    10/11/2011 20:42
  • Stel vast dat een aantal dagen zonder e-mail en GSM me wereldvreemd maken. Moeten sprinten om terug bij te zijn.
    04/11/2011 06:26

De zon in de ogen

Op een zonnige dag in juni 1916 vertrok Charles Fryatt met zijn SS Brussels vanuit Hoek van Holland voor alweer een trip westwaarts richting Harwich.
Buiten de kust lagen enkele Duitse torpedobootjagers hem op te wachten.
Fryatt wist dat hij zich deze keer moest gewonnen geven, binnensmonds vloekend, de vuisten gebald, de laatste bevelen roepend naar zijn bemanning. Radeloze passagiers keken hem smekend aan, bange matrozen begonnen te jammeren toen ze klaarstonden om zich aan de barbaren over te geven.
Het hele schip kwam zonder averij in handen van de Keizerlijke Marine.
De mensen werden van boord gehaald, het schip naar Zeebrugge versleept.

De zon zal in zijn ogen hebben geschenen toen Fryatt in de kazerne aan de Brugse vesten tegen de muur werd gezet om er te worden geëxecuteerd. Een krijgsraad van het Marinekorps had hem in het stadhuis veroordeeld tot de dood vanwege het pogen een onderzeeboot door rammen te vernielen.
In aanwezigheid van twee leden van de gemeenteraad werd hem een blinddoek voorgebonden en werd hij doodschoten.
Een roekeloze daad heeft daarmede haar laattijdige maar gerechtige straf ontvangen, lieten de Duitsers in de stad op affiches weten.
De geallieerden waren verbolgen.

Van boven op de molenheuvel op de Kruisvest heb je een mooi uitzicht op de Brugse skyline. Daar zie je ook de campus waar West-Vlaanderen een groot deel van zijn gerechtelijke diensten heeft gehuisvest. De antennemast van de politie steekt boven de daken van de gebouwen uit. De vormen van het nieuwe in rode baksteen en beton opgetrokken gerechtsgebouw verwijzen naar kantelen en wachttorens van middeleeuwse burchten. In Brugge wordt over zoiets nagedacht.
Net achter het gebouw kan je het grijze zadeldak van de Brunokerk van het voormalige kartuizersklooster zien. Vandaag doet het dienst als hof van assisen. Waar vroeger monniken de vespers lazen, aanhoren vandaag moordenaars hun vonnissen.
Binnen die campus ligt een grasveldje dat tijdens de verbouwingswerken onaangeroerd is gebleven: het beluik der gefusilleerden. Zwarte metalen zeemijnen liggen aan weerszijden van de poort. Binnenin staat het opschrift Deze gronden werden mildelyk door het departement van landsverdediging ter beschikking gesteld.

Op een zonnige dag wandel ik wel eens naar dat grasveldje waar Fryatt de ondergaande zon in de ogen kreeg, enkel minuten voor zijn dood, en ik dank de mildheid van het departement van landsverdediging.

Laboe

Aan de havenmond van Oostende staat op een hoge zuil een beeld van een flinke matroos. De zelfverzekerde zeeman staat met de armen gekruist voor de borst. Hij helt lichtjes naar voor terwijl zijn brede broekspijpen in de wind wapperen. Zijn blik staat vastberaden richting zee.
Aan dit beeld dacht ik toen we na uren flaneren langs de rand van de Baltische Zee de Kieler Förde bereikten en het matrozenmonument van Laboe boven de horizon zagen uitsteken.

De toren van Laboe herdenkt vandaag de gesneuvelde zeelui van beide wereldoorlogen maar toen in 1927 oorlogsveteraan Admiraal von Scheer de eerste steen legde, had hij de intentie de langzaam uit de chaos en vernedering rechtkrabbelende Duitse Marine te huldigen.
Tijdens de ceremonie zou von Scheer hebben gezegd:

Für Deutsche Seemannsehr
Für Deutschlands schwimmende Wehr
Für beider wiederkehr.

Duitse drijvende wapens, Duitse zeemanseer, dat ze terugkere.
Het Marine-Ehrenmal heeft dezelfde mistroostige bruingrauwe kleur als de grafstenen van het Duitse soldatenkerkhof te Vladslo. Duitse nagedachtenis is steeds somber en onheilspellend.
In de voet van de toren is een tentoonstellingsruimte. Op een houten bord wordt in gouden letters het vierde Matrozenregiment gehuldigd:

Ehrentafel des 4. Matrosen-Regiments
Im Kampfe für das Vaterland fielen auf
den Schlachtfelden Flanderns

Gevallen op de slachtvelden van Vlaanderen. Er volgt een omstandige lijst met 35 namen van officieren. Vermeld wordt graad en naam.
En dan nog gauw een korte boodschap, alsof het toevallig nog mee op het bord kon: met hen vielen 897 onderofficeren en manschappen.
Een lift brengt ons boven in de top van het Ehrenmal. Onder een apocalyptische grauwe lucht zien we in de verte een Duits fregat de Kieler Förde verlaten.
Somber en onheilspellend.

Ellipsoïde

We hebben hard ons best gedaan om de toren van het Kieler Rathaus te kunnen beklimmen, mijn vrouw en ik.
Dat Rathaus en de bijhorende toren werden in 1911 door een in een indrukwekkend uniform gestoken Kaiser Wilhelm II plechtig geopend om het imposante gebouw nog wat meer grandeur te geven en om duidelijk te maken dat de stad Kiel in het Duitse keizerrijk een belangrijke rol te vervullen had.
Gebouw, toren en pleinen errond hebben San Marco in Venetië als voorbeeld.

Maar helaas, ook Kiel kreeg in de tweede wereldoorlog bittere bombardementen te verduren. Hierdoor werd het Rathaus zwaar beschadigd.
Na de oorlog werd het grotendeels opgehangen.
Op zoek naar een deur of een trap die ons hoog in de toren kon brengen, dwaalden we ongehinderd door de gangen en lazen we de tentoonstellingsborden die er vanwege het 100-jarig bestaan aan de muren waren bevestigd.
Eén van de borden toont een foto uit 1964. Een jonge vrouw zit op een groot metalen ei, twee mannen voorkomen dat ze omvalt.
Tijdens herstellingswerken werd in de toren een ellipsoïde gevonden waarin documenten uit het bouwjaar van de toren waren opgeborgen, documenten “die das damalige Selbstverständnis der stadt Kiel überlieferen sollten”; berichten uit het Kielse verleden.
Het tentoonstellingsbord wijst op de vermetelheid van een arbeider die zijn eigen boodschap in het metalen ei had gesmokkeld:

Werter Leser! Wenn Du diesen Zettel liest, so denk an uns als längst verstorbene Freunde und kämpfende Proletarier für ein gleiches, direktes, geheimes und allgemeines Wahlrecht

Dierbare lezer! Wanneer je dit briefke leest, denk dan aan ons als reeds lang gestorven vrienden en strijdende proletariërs voor een gelijk, direct, geheim en algemeen stemrecht.

Al jaren voor de verwoestende eerste wereldoorlog, die van Duitsland een democratische maar getraumatiseerde republiek zou maken, smachtten arbeiders naar gelijke behandeling en medezeggenschap.
De muiterijen die de Keizelijke Hochseeflotte in 1917 in Kiel zouden teisteren, lagen blijkbaar al lang te smeulen.

We zijn van tentoonstellingsbord naar tentoonstellingsbord gewandeld, mijn vrouw en ik, daar in dat Rathaus, maar een deur dat ons in de toren kon brengen, hebben we niet gevonden.

Zijn laatste herfst


De ginkgo in onze tuin staat daar weer te stralen.
Hij houdt lang zijn bladeren vast, laat ze eerst mooi okergeel worden en stapt dan op één nacht uit die gele broek.
De ginkgo is op deze pagina’s meermaals bezongen (1, 2, 3).
Maar nu is het beslist: hij gaat weg. Zijn weidse takken nemen alle ruimte in en de muur die niet ver van hem staat, duwt hij langszaam om.
Een groene mevrouw van de stadsdienst is op bezoek geweest: snoeien of kappen.
We hebben er lang over nagedacht.
Het wordt kappen.
In zijn plaats komt een nieuw ginkgo, jong en kaarsrecht.
En hopelijk even mooi.

Twaalf uur

De tekst die de ijzige voorwaarden voor de wapenstilstand van de eerste wereldoorlog vastlegt, eindigt als volgt

Deze wapenstilstand werd ondertekend op 11 november 1918 om 5:00 (vijf uur), Franse tijd.
Getekend: F. Foch, RE Wemyss, M. Erzberger, A. Oberndorff, Winterfeldt, Vanselow

Het valt op. Na “5:00″ staat nog eens uitgeschreven wat wordt bedoeld: vijf uur, Franse tijd.
Het is van belang dat dit er staat, blijkbaar.
In de gebieden die de Duitsers hadden veroverd, hadden ze de tijd aangepast aan deze van Berlijn. In geheel bezet België was het één uur later dan in Ieper, Poperinge en uiteraard ook Versaille waar dat verdrag werd ondertekend.
Als eerste voorwaarde van de wapenstilstand staat in het verdrag:

Aan het westelijk front, stopzetting van de vijandelijkheden, op het land en in de lucht, zes uur na het ondertekenen van deze wapenstilstand.

Door deze voorwaarde stopte de strijd om elf uur. Franse tijd.
In Berlijn was het toen twaalf uur. Ook in Gent, Antwerpen en Luik, steden waar de klokkentoren nog steeds het Duitse uur weergaf.

WO1

Bewonderaars van dapper gedrag

De grote stations van Londen liggen allemaal een eind weg van Westminster. Saint Pancras, Euston, Paddington, Liverpool Street Station, bijna in een mooie cirkel rond het centrum van de hoofdstad, zijn getuigen van een ver pioniersverleden waarin de toegang tot het Londens grondgebied aan de spoorwegmaatschappijen werd ontzegd.
Liverpool Street station ligt in he Noord-Oosten van de stad. In deze éénentwintigste eeuw is dat kantoorgebied. Boven de onmiddellijke omgeving torent een bouwwerk dat door de Londenaars huislijk ‘the gurkin’ wordt genoemd, de augurk. Tijdens kantoordagen is dit een drukke omgeving, later op de avond oogt het verlaten en doods.
Op onze wandeling van de Theems naar het station worden we in de nauwe straatjes rond Saint-Pauls tegengehouden door de plots massaal opgedoken politie. In alle grote steden van Europa zijn er die dag protestmanifestaties tegen de financiële wereld en het ongecontroleerd speculeren met de Westerse welvaart. Terwijl in Brussel de Indignados klappen krijgen van de Brussels oproerpolitie bezetten manifestanten met spandoeken en protestborden de trappen van de St-Pauls kathedraal. De Britse bobbies waken. Ze sluiten het gebied af waardoor al het verkeer in de omgeving stilvalt.
We zijn te voet. Niemand houdt ons tegen.
Ondertussen valt de duisternis.
Ook Liverpool Street Station is een groot bakstenen gebouw waaraan een grote hangaar is aangebouwd. Net als Saint Pancras en Waterloo Station bestaat het voornamelijk uit metaal en glas. De Britten hebben fortuinen besteed aan het restaureren van hun oude maar majestatische stations. Ook hier ligt een groot aantal sporen. Het station bedient nog steeds East-Anglia en het oostelijk deel van de hoofdstad. Op de sporen staan moderne treinstellen voor het regionale treinverkeer.
De gaanderijnen boven en naast de sporen bieden een veelheid van kleine eetstalletjes met allen een beperkte aanbod. Subway. Burger King. Sushi. In het kraam waar homemade pasteien uit Cornwall worden aangeboden, zit een Pakistaan verveeld rond te kijken.
Great Eastern Railway Memorial
Bovenaan de trappenhal vinden we tegen de hoge zijmuur het monument voor de gesneuvelde werklieden van de Great Eastern Railway. Boven een witmarmeren boog waarin een krans zit verwerkt, staat in sierlijke stenen letters GREAT EASTERN RAILWAY. Daaronder in steen gebeiteld, deze boodschap

To the Glory of God and in grateful memory of those members of the Great Eastern Railway staff who in response to the call of their king and country sacrificied their lives during the great war.

Tot de eer van God en in dankbare herinnering aan deze leden van de Great Eastern Railway staf die als antwoord op de roep van hun Koning en land hun leven opofferden tijdens de grote oorlog.
Op de marmeren platen onder deze boodschap staan de honderden namen van de overleden medewerkers gebeiteld. In de derde rij ontdek ik tussen J. Frost en W.F. Fulbrook de naam C.A. Fryatt.
De platen met de namen hangen te hoog om eraan te kunnen. Aan de Menenpoort te Ieper, of op de begraafplaats van Tyne Cot willen familieleden naast de naam van hun geliefde wel eens een houten kruisje leggen. Soms worden poppies tussen de voegen van de stenen platen vastgeklemd.
Met het monument in Liverpool Street Station is dit onmogelijk. De namen zijn onbereikbaar ver.
Onderaan het monument, verwerkt in het witte marmer zit een deuropening die naar een lift leidt. Af en toe schuiven de metalen deuren open en stapt iemand in of uit.
Naast de liftopening bevindt zich het bronzen portret van Great Eastern Railways meest beruchte medewerker, Charles Fryatt, verwerkt in een zelfde witmarmeren tablet waarvan delen groen zijn uitgeslagen van het vele poetsen. De bronzen Fryatt heeft een pet op het hoofd. De kromme neus en duidelijke snor zijn afgebeeld zoals ze ook te zien zijn op de weinig foto’s die van Fryatt nog bestaan.
Onder het brons staat geschreven:

To the memory of captain CHARLES ALGERNON FRYATT +July 27th 1916+
From the neutral admirers of his brave conduct and heroic death
The Netherlands section of the league of neutral states.
July 27th 1917

Van de neutrale bewonderaars van zijn dapper gedrag en heldhaftige dood, staat er.
Ik vraag me even af hoe dat gegaan is, toen in 1917.
Dat Nederlanders in barre oorlogstijd naar Londen trekken om er een Britse kapitein van de koopvaardij te eren, vind ik opmerkelijk.
Ik kijk minutenlang naar de tekst en de lijst van namen, terwijl ik me 1917 probeer voor te stellen.

In het metrostation van Liverpool Street Station nemen we de Bakerloo lijn terug naar Paddington Station. Ik weet dat deze metrolijn reeds operationeel was toen Fryatt en zijn collega’s de roep van koning meenden te horen en ik denk nog even aan de Nederlanders die zonder twijfel dezelfde lijn hebben genomen om hun dappere held te eren.
Wanneer we later in een pub op een flatscreen het BBC-nieuws kunnen volgen, zien we beelden van Julian Assange die op de trappen van St-Pauls een redevoering geeft. Rond hem een joelende massa.
Neutrale bewonderaars van dapper gedrag.

Aanzwellende mandolines

Het was op een Zwitsers radiostation dat ik dat liedje opnieuw hoorde. We reden in een vallei ergens tussen de Gotthard pas en de Franse grens en keken wat verveeld naar de kleurloze gebouwen en het grazende vee aan de rand van de weg.
Toen weerklonk de hese stem van Adriano Celentano op de radio.
In een fractie van een seconde had ik het liedje herkend en ik draaide het volume helemaal open.
Azzurro, il pomeriggio è troppo azzurro e lungo per me
Ik zong het luidkeels mee terwijl ik de ruitenwissers inschakelde. Het is niet eenvoudig een polonaise te starten op een Zwitserse autosnelweg.
De overige gezinsleden in de auto keken me meewarig aan. Eén vermetele stak demonstratief de vingers in de oren.
Adriano Celentano, zomaar op de radio, in een Zwitserse vallei.
Op het einde van de jaren zestig werd dit liedje vaak gedraaid op de Duitse radio en televisie, en Celentano, die zoals zovele Italianen goed Duits spreekt, was regelmatig te gast op de Duitse televisieshows die ik, mijn broers en mijn zus te zien kregen.
Die Hitparade mit Dieter Thomas Heck bijvoorbeeld, of die zaterdagavondshows met Rudi Carrell.
Ondertussen staat het liedje op mijn MP3-player en als het even kan, laat ik de vrolijkheid door de luidsprekers knallen.
Wanneer het liedje naar zijn einde loopt, stemt de aanzwellende mandoline me bijwijlen weemoedig.
Het doet wat met een mens, een jeugd in de bondsrepubliek. Ruitenwissers gaan er van heen en weer.

Lang moeten oefenen

Op het enthousiasme waarmee Stef Wijnants zondag dat kutprogramma Sportweekend aankondigde, heeft hij ongetwijfeld lang moeten oefenen.
Waarschijnlijk ging dat zo. Die ochtend stelde Wijnants vast dat zijn redacteuren alweer met niets beters voor de dag kwamen dan alweer een lang uitgesponnen verhaal over de eventuele mogelijkheid van een zo goed als uitgesloten mirakel dat die nationale voetbalploeg van Duitsland tegen ons dierbaar nationaal elftal als amateurs van de Faroer eilanden voor de dag zouden komen, en dat in dit logische geval van een zekere winst onze zo talentrijke selectie nationale pottenstampers het in een barragewedstrijd tegen even grote grabbelaars uit een andere poule zullen kunnen aantreden om dan eventueel tegen het vervullen van een aantal mitsen en maren en uiteraard het scoren van een juist aantal doelpunten toch naar het Europese kampioenschap voetbal zouden kunnen trekken.
Zoiets. Het gelaat van de presentator zal wel wit hebben weggetrokken toen hij dit vaststelde.
Helemaal onwel zal hij zijn geworden toen diezelfde redacteuren in een tweede rapportage alweer datzelfde zootje veldrijders door het veld van boer Pol te Ruddervoorde lieten ploegen en de helden in kwestie in verschillende talen – het Vloms, Kempens en Nederoverheembeeks met name- hun verhaal lieten vertellen, over pijn in de lies, pech met het versnellingsmachien en de zweer op hun gat.
Zucht. Want dat doen die renners dus: met een zweer op hun gat in het veld gaan rondhossen.
Maar, wat doet een mens als hij goedgeluimd en uitgeslapen zijn werktaak aanvat en vaststelt dat de dag voor hem alweer het saaie zelfde in petto heeft ? Huilen! Of erger nog: janken zonder ophouden, tot de buren de politie bellen.
Niet zo met de mens Stef Wijnants.
Wijnants toverde de grootste lach op zijn mond en goot gedurende 45 minuten alweer dezelfde bagger over de kijkers heen.
Voor sport, dames en heren, moet je namelijk op een ander kanaal afstemmen.

Indiaan in smoking

Er waren tijden dat ik naar Atahualpa Yupanqui ging luisteren, een in smoking gestoken stokoude indiaan die helemaal alleen op een stoel in het midden van het podium zat, de gitaar op zijn knie bespeelde en met zijn krakende stem vreemdsoortige liedjes zong, over Inca’s en zo.
Dat waren ook de tijden dat ik voor het Ierse folkkwartet Planxty liet vallen waar ik toevallige mee bezig was en de trein nam naar de Brusselse AB waar ze diezelfde avond nog optraden.
In diezelfde periode deed het bijzonder grofgebekte popgroepje Gruppo Sportivo onze studentenstad aan en spaarden we gedurende enkele dagen het eten uit de mond om dit stelletje ongeregeld in het tot concertzaal omgetoverde studentenrestaurant te zien optreden.
Van op een aantal bovenop elkaar gestapelde tafels keken we onze ogen uit op de wulpse achtergrondzangeressen die wat ons, bloedgeile studerende hengsten, betreft gerust de enige leden van de groep mochten zijn, en we joelden met enige overtuiging het legendarische ‘Beep, Beep, Love’ mee.
Het wonder dat Wikipedia heet, leert me vandaag dat Yupanqui al sinds 1992 onder de zoden ligt en dat Planxty er in de jaren tachtig mee opgehouden heeft.
Maar die oude knarren van Gruppo Sportivo bestaan nog steeds en die 2 Gruppettes brengen nog even overtuigend “Beep Beep Love” ten berde.
Helaas lijken hun danspasjes nu op een scene uit Benidorm Bastards.
De zwaartekracht is onverbiddellijk.

De Vliegende Hollander

In het Museum Aan de Stroom te Antwerpen staan op de derde verdieping de Neus, den Bult en de Schele stijfjes naar de bezoekers te kijken terwijl de stem van Lucas van de Eynde in het lokale dialect een scene uit één van de poesjenellenstukken voorleest. Het fragment wordt in een continue lus herhaalt zodat elke minuut dezelfde snedige dialogen van de marionetten te horen zijn, inclusief het droefgeestig liedje van twee verzen dat door Lucas met zijn bariton meeslepend wordt gezongen.
Dat museum naast het Bonapartedok is een mooi gebouw , en door die glaspartijen die spiraalsgewijs per verdieping een andere kijk geven op de stad en de stroom, is het bij wijlen adembenemend.
Maar die poesjenellen op de derde verdieping, star voor zich uitkijkend, een beetjes stof op de kop, die hebben me veel meer aangegrepen.
Het was een onverwacht weerzien met deze figuren uit de Antwerpse poppentheaters. Alsof ik werd getroffen door de bliksem.
Het is alweer dertig jaar geleden dat we me met de Sociëteit ’t Belofteland –een jeugdig romantisch allegaartje waar ook Lucas deel van uitmaakte- voor het eerst naar theater Van Campen trokken waar we in die nauwe kelder het stuk Den Vliegende Hollander te zien kregen . Daar zagen we die houten figuren met een ijzeren stang door de kop, hun rondslingerende rechterarm –de enige arm die kon bewegen- en een taaltje dat ik van zijn leven niet had moeten aanhoren.
De verhaallijn van het stuk herinner ik me niet meer, maar dat directe taaltje des te meer.
In ’t Belofteland bleven we mekaar nadien nog lange tijd aanspreken met ‘Schele’ , ‘Bult’ of ‘Neus’ , terwijl we de nasale stem imiteerden en mekaar probeerden de loef af te steken met de platste uitdrukkingen.
Nu ik door het leven stap in het Westen des lands en er in die contreien de klanken wat zachter uit de kelen komen, durf ik me al lang niet meer overgeven aan een vette ‘ha Schele, hoe iestermei?!’.
Onbegrip en verwarring zou mijn deel zijn, en stiekem hoongelach.
Die poesjenellen zijn zo Antwerps dat ze terecht op de derde verdieping van het Museum Aan de Stroom staan. En nergens anders.